donderdag 8 januari 2009

This is the end

Jeex na, c'est fini. Ik heb Senegal achter me gelaten, de 35° Celsius omgeruild voor 0°, maar al mijn tamtams en ook mijn kat meegenomen. Momenteel zoek ik volop nieuw werk en probeer ik me zo goed mogelijk aan te passen aan een nieuw leven in België. 't Is niet gemakkelijk, maar niets is gemakkelijk, toch? Na twee volle jaren in Senegal gewoond en gewerkt te hebben - en vooral gelééfd te hebben - doet het pijn om afscheid te nemen van alles en van iedereen. Maar waar een einde is, is een nieuw begin. Deze blog komt daarmee ook aan zijn einde, want zijn voornaamste taak was jullie allen op de hoogte te houden van mijn verre avonturen. Au revoir, adieu, salut, ba beneen yoon!

Check nog even mijn laatste fotootjes uit Senegal:

woensdag 7 januari 2009

Muzikale uitwisseling met Senegal: de muziek

Hieronder kunnen jullie eigen opnames beluisteren. Ik speel overal gitaar, Mamour zingt (in het Wolof) en Samba speelt percussie. Op het laatste nummer spelen we alledrie percussie: ik speel djembé, Mamour tungune en Samba cool (lees: tsjool).

tilidom.com

  1. Bamba Touba: dit reggaenummer gaat over de religieuze leider van de Mouriden (Islamstrekking) in Touba.
  2. Jamm: Mamour zingt over vrede. “Waar vrienden zijn, is er vrede. Blanken, zwarten, het zijn allen mensen.”
  3. Xale Yi: “Help de kinderen, laat ze naar school gaan, laat ze leren”, zingt Mamour.
  4. Yaay Booy: dit nummer gaat over de liefde en hulp van een kind voor zijn moeder.
  5. Bëgg: letterlijk vertaald als liefhebben. “Het is van jou dat ik houd”, zingt Mamour. Samba speelt tussendoor op de tama.
  6. Boolo: over vriendschap, gezellig samenkomen. Merk op dat Mamour de naam vermeldt van Samba, mezelf en de drie andere vrijwilligsters uit Kaolack. Met een fantastische djembé-solo van Samba.
  7. Saloum Saloum: een klassieker van Labah Sosseh over de schoonheid en gastvrijheid van Senegal en meer bepaald de Saloum-regio met Kaolack als middelpunt. Mamour wou hem niet zingen “omdat ik geen salsastem heb”.
  8. For Momo: een eigen compositie gebaseerd op melodieën die Bass me heeft aangeleerd. Het ritme heet pachanga. Opgedragen aan een vriend die me heel dierbaar is.
  9. Djembé, tungune & cool: het eerste djembé-ritme dat Samba me aangeleerd heeft. Samba zingt op de achtergrond.

Muzikale uitwisseling met Senegal: hoe het allemaal begonnen is

Werken in een ander land betekent ook leven in een andere cultuur. Want wat doe je anders na de werktijd, in je vrije tijd? Twee jaar geleden heb ik zonder aarzelen mijn gitaar meegenomen naar Senegal, ik was van plan om veel muziek te spelen. En ik ben teruggekeerd met een heleboel muzikale bagage, zowel letterlijk als figuurlijk.

Instrumenten meenemen, het is altijd een hele verhuis. Maar zonder zou ik nooit voor lange tijd vertrekken. En een gitaar is wel handig om mee te nemen, ze neemt niet al te veel plaats in beslag. Mijn trouwste lief, zo noem ik mijn gitaar wel eens. De enige die dan ontrouw is, ben ikzelf, die mijn gitaar soms onder een dikke laag stof moet uithalen. En zo gebeurde dat in Senegal, waar ik mijn wederhelft na zes maanden eens meenam naar het Frans-Senegalees cultureel centrum in Kaolack, waar ik een aantal plaatselijke muzikanten had leren kennen.

Bass

Hij heet Bassirou, maar ze noemen hem Bass. Hij speelt bas. Gemakkelijk om te onthouden, vooral in het begin toen alle Senegalese namen mij als Chinees in de oren klonken. Hij leidt een lokale band, Prim Jazz - zowat de enige in Kaolack die put uit de rijke muzikale geschiedenis van de regio en het hele land - samen met een rot uit het vak, een oude gitarist die nog heeft gespeeld bij één van de beste salsagroepen uit Senegal. Les Canaries behoort nu tot de Senegalese muziekgeschiedenis maar velen van hen zijn terecht gekomen in andere salsagroepen, waaronder het wereldbekende Africando. Kaolack was tevens de favoriete stad van Labah Sosseh, een salsagrootheid die vele hedendaagse Senegalese muzikanten inspireert, waaronder het - tevens wereldberoemde - Orchestra Baobab. Maar buiten een aantal nostalgische muzikanten, heeft al het muzikaal talent Kaolack ontvlucht om carrière te maken in Dakar, de hoofdstad van Senegal die uitpuilt van concerten en nachtclubs. En Bass is verstokt aan Kaolack, hij zou voor geen geld de stad willen inruilen voor Dakar. Zijn vrouw komt uit een familie van “griots” (troebadoers) en muziek zit haar in het bloed. Ze zingt “mbalax rap”, een rapversie van de muziek waar Youssou N’Dour de wereld mee heeft veroverd. Vele muzikanten beschouwen mbalax als weinig vernieuwend, gemakkelijk en te lawaaierig. Ze kan goed roepen, dat is een feit. Maar de Senegalese jeugd is er dol op.

Het is Bass die me heeft ingewijd in de Senegalese gitaarkunsten, want naast bas speelt hij ook gitaar en een beetje kora (Afrikaans snaarinstrument). En ik wijdde hem in ruil daarvoor in in mijn gitaarkunsten, voornamelijk jazz. Hij heeft me melodieën aangeleerd die later zouden dienen voor een aantal opnames, zoals Saloum Saloum van Labah Sosseh en For Momo, een eigen compositie. Hij heeft ook een studio in Kaolack, waar ik graag opnames had gerealiseerd, maar waar ik geen tijd meer voor had.

Samba

Bass heeft me voorgesteld aan Samba, die percussie speelt in zijn muziekgroep. Hij wordt ook wel Batsj genoemd, zoals zoveel Samba’s in Senegal. Ik had tegen Bass gezegd dat ik graag djembé zou leren spelen en hij dacht dat Samba wel de geschikte professor zou zijn. Achteraf bleek dat Samba op pedagogisch vlak een ramp is en vaak een beroep op me deed om zijn financieel leed te verzachten, maar hij bracht me altijd aan het lachen en nam zijn lessen serieus. Ik waardeer hem enorm en ook hij steekt zijn waardering voor me niet onder stoelen of banken. Ik heb nochtans flink moeten onderhandelen en Bass is zelfs moeten tussenkomen, want hij probeerde zijn lessen te verkopen aan woekerprijzen. Ik was een trouwe leerling, nam gemiddeld twee lessen per week, en al gauw liet Samba zijn taxi-mobilette aan de kant staan. Hij kwam nooit toe met zijn geld, wist geen geld opzij te leggen en stond regelmatig aan mijn deur, al dan niet met een voorschrift van het ziekenhuis voor één van zijn zieke kinderen. “Je suis père de famille”, zei hij dan altijd, “alle financiële last ligt op mijn schouders.” Ik gaf hem altijd een voorschot op de lessen – ik heb zeker nog vier lessen tegoed. En af en toe een kleinigheid, om medicijnen te kopen of een zak rijst. En met de feesten wat meer, om kleding en een schaap te kopen. Hij kreeg meer inkomsten toen ook drie andere vrijwilligsters zich inschreven voor zijn lessen, maar met hun vertrek en nu ook mijn vertrek, is hij terug naar af. “Si toi tu n’es plus là, j’irai en Gambie, chercher du travail, dans les hôtels il y a toujours des touristes qui veulent prendre des cours de djembé”, zei hij een aantal dagen voor mijn vertrek.

Het heeft maanden geduurd vooraleer ik op de juiste manier djembé kon spelen. Ik was gefrustreerd, want begreep er niets van. De ritmes, die waren op zich niet zo moeilijk. Maar de “pim” en “pax” uit mijn handen krijgen des te meer. En opeens lukte het me. Toen kwam alles in een stroomversnelling en wijdde Samba me ook in in andere Senegalese percussie-instrumenten: drie soorten tam-tams, in ’t groot en ’t klein, en de zingende drum “tama” waaraan ik vlug verkocht raakte, waarschijnlijk omdat die ’t moeilijkste van al was. De collectie die ik mee naar België nam, bestond uit drie tam-tams, twee djembé’s en twee tama’s.

In het begin gaf Samba zijn lessen in het Frans-Senegalees cultureel centrum. Maar na een tijd stoorden we de taalcursisten en werd het repetitiekot verbouwd. Sindsdien kwam hij altijd naar me thuis met zijn vriend Mamour, ook in de weekends, en bleef hij vaak naar een voetbalmatch kijken. Ik keek nooit naar voetbal, maar met Samba en Mamour was dat best gezellig.

Mamour

Opeens zat hij daar, Mamour. Ik kon zijn naam niet goed onthouden. Telkens opnieuw vroeg ik aan de andere vrijwilligsters hoe hij heette. Eerst kwam hij luisteren naar de lessen die Samba aan me gaf, nadien speelde hij mee. De ene keer leerde Mamour me een ritme aan, de andere keer was hij net als ik een leerling van Samba. “Waar heb je leren spelen?” vroeg ik dan. “Tu sais, je suis né au Sénégal et comme chaque enfant j’ai grandi avec la musique traditionelle.” Zoiets als: ik kan al spelen sinds ik in de buik van mijn moeder zat. Net als dansen. Je zou zeggen dat Senegalezen geboren zijn met wiegende heupen en soepele benen.

Mamour werkt voor dezelfde baas als Samba en rijdt met zijn taxi-mobilette heel de dag door Kaolack op zoek naar klanten. Hij verdient met moeite enkele euro’s per dag, waarvan hij het meeste moet afstaan aan zijn baas en benzine. Een klotejob, maar ’t is moeilijk om beter te vinden. Hij heeft de basisschool niet uitgedaan en spreekt slechts enkele woorden Frans. Met Mamour heb ik altijd Wolof gesproken en hij heeft me ook aangemoedigd dat te doen. Ik had geen keuze, hij verstond toch geen Frans. Mamour beschouwt Samba als zijn beste vriend, maar ze verschillen sterk van leeftijd. Je zou het niet zeggen, maar Samba is al in de veertig, terwijl Mamour in de twintig is. Senegalezen lijken altijd jonger dan ze zijn. Ze delen samen een passie voor muziek en ook Mamour speelt in Prim Jazz, waar hij de backing vocals verzorgt. Mamour is niet sterk in het zingen van salsa, noch in mbalax, maar hij heeft een wondermooie stem voor akoestische muziek.

Mamour zag mijn gitaar in de hoek van m’n salon staan en vroeg er wat op te spelen. Hij begon onmiddellijk te zingen. Het klikte direct. En toen kwam Samba erbij. Het gaf een leuke sound. “Dat is de toekomst, Jos!” zei Samba enthousiast. “Jullie, Europeanen, zijn verzot op die akoestische muziek.” Dat is inderdaad zo, maar als groep moet je het verschil maken, iets nieuw brengen. En zover zijn we nog niet, maar voor alles is er een begin. Deze muzikale ontdekking vond plaats enkele maanden voor mijn vertrek en we hebben er niet lang van kunnen genieten. We besloten om het gauw op te nemen, je weet maar nooit dat het ooit nog eens van pas komt en het is een mooi aandenken. Drie dagen voor mijn definitieve vertrek uit Senegal zaten we heel de dag samen om alles op te nemen. Met een klein microfoontje, iedereen om beurt. De vrouw van Samba had een grote schotel rijst klaargemaakt en mijn huisbewaker kwam regelmatig hete thee brengen. Tegen het vallen van de avond was alles klaar. Toen ik in België aankwam heb ik nog verschillende geluiden toegevoegd, want in Senegal had ik geen elektrische gitaar mee. Het is nooit echt af en ooit hopen we dit alles in een studio op te nemen en nog meer nummers te maken. Vorige week heb ik Samba gebeld om hem een gelukkig Nieuwjaar te wensen en hij vertelde me dat hij nog steeds oefent met Mamour. “Elke dag gaan we ’s avonds naar het strand, ik neem mijn djembé mee en Mamour zingt zijn stem los. Jos, il faut que tu viennes au Sénégal, on va jouer.”